De overdracht van vandaag is niet bijzonder spannend. Er liggen een paar vrouwen die aan het bevallen zijn, iemand voor een afbreking van een zwangerschap en nog wat vrouwen die aan het wachten zijn totdat hun baarmoedermond rijp genoeg is: de primers. Niet alle informatie wordt per patiënt uitgebreid besproken, enkel de belangrijkste zaken. Het grootste deel kan je teruglezen in het dossier. Ik lees vluchtig de korte teksten die geschreven staan op ons overdrachtslijstje en blijf hangen bij het kamernummer van Rosan.
Rosan is vierentwintig jaar. Ze krijgt haar eerste kindje. Naast een hoge bloeddruk en een BMI van boven de veertig zie ik ook dat er: ‘sociale zorgen++’ achter haar kamernummer staat. Het triggert mij en ik besluit voor haar te gaan zorgen.
Als we ook de andere patiënten hebben verdeeld, installeer ik mijzelf achter de computer. Ik staar wat voor me uit terwijl het systeem tergend langzaam de programma’s opstart. Altijd een lekker momentje, nog niet aan het werk, nog nergens ingedoken en wachtend om te beginnen. Als alles is opgestart, klik ik het dossier van Rosan aan. Ze krijgt een kindje samen met Victor, ze zijn al acht jaar samen. Acht jaar, ik maak een snelle berekening in mijn hoofd. Ze wonen samen in een appartement met semi-begeleiding en krijgen hulp bij de dingen die voor de meeste mensen zo vanzelfsprekend zijn dat je er eigenlijk nooit over nadenkt. Financiën, afspraken, planning, structuur en huishoudelijke taken. Alles wat ervoor zorgt dat een dag overzichtelijk blijft. En nu krijgen ze een baby. Hun grootste wens, lees ik. Ze hebben er ontzettend naar uitgekeken.
Ik lees het nog een keer. Een baby. Ik weet niet precies waarom ik er wat langer bij blijf hangen. Misschien omdat een baby krijgen voor bijna iedereen een enorme verandering is, maar voor Rosan en Victor misschien nog net iets meer. Een kind dat straks volledig afhankelijk is van hen. Een klein mensje dat geen rekening houdt met agenda’s, begeleidingsmomenten, boodschappenlijstjes of het feit dat je soms even niet weet wat je moet doen. Maar goed. Dat is niet aan mij om nu over na te denken. Ik sluit het dossier en loop richting hun kamer.
Als ik de deur open, moet ik glimlachen. Victor zit naast het bed van Rosan. Hij is een grote man. Niet alleen groot omdat hij lang is, maar vooral omdat hij breed is. Zijn buik komt bijna tegen het bed aan als hij voorovergebogen zit. Hij kijkt op zodra ik binnenkom, zijn ogen vriendelijk en nieuwsgierig.
‘Ben jij de verloskundige?’
‘Ja, dat klopt,’ zeg ik, overdonderd door het spontane ontvangst. ‘Ik ben Lisa.’
‘Jij bent niet zo oud als die andere.’
Ik kijk hem even aan.
‘Als die andere?’
‘Ja. Die er toen straks was. Jij bent nog best jong.’
Rosan begint te lachen en stoot hem aan. ‘Victor.’ Ze kijkt van me weg.
‘Wat?’
‘Dat zeg je toch niet.’
Ik lach. ‘Hindert niets joh. Ik neem het compliment van harte aan. Dank je wel.’
Ik maak een kommetje van mijn hand en bedek mijn mond half zodat Rosan het niet zit. Ik fluister richting Victor mijn leeftijd.
Hij moet lachen. ‘Toch wel wat ouder dus,’ zegt hij.
Ik lach met hem mee. ‘Verpest de sfeer nou niet gelijk weer hè?’ zeg ik speels.
Het ijs is gebroken. Victor kijkt tevreden. Alsof we hiermee een belangrijk onderdeel van de kennismaking hebben afgerond. Dan kijkt hij naar Rosan en legt een hand op haar buik. ‘Wanneer komt de baby, Lisa?’ Hij kijkt me aan.
‘Dat weet niemand,’ zeg ik naar alle eerlijkheid. ‘Ik hoop voor jullie heel snel.’
Rosan en Victor kijken elkaar aan. Victor legt zijn handen op de arm van Rosan die losjes langs haar grote lijf ligt. Hij streelt met een duim over haar onderarm.
‘Ik wil Papa worden, ik kan niet wachten,’ zegt Victor. Zijn ogen stralen.
Rosan begint weer te lachen.
Ik kijk naar haar en zie hoe leuk ze hem vindt. Echt leuk. Niet ondanks zijn vragen, niet ondanks zijn opmerkingen. Ze vindt hem gewoon leuk. Op papier is het een jong stel dat op heel veel vlakken hulp nodig heeft. Maar hier in deze kamer zie ik vooral twee mensen die al acht jaar voor elkaar kiezen en iets fundamenteels willen wat iedereen in essentie wil. Zich voortplanten samen. Toch voel ik het ook ergens in mijn onderbuik. Een gevoel van onrust. Ik probeer het weg te stoppen.
Rosan krijgt al een tijdje medicijnen om haar baarmoedermond rijp te maken. Het duurt lang. Heel lang zelfs. De baby heeft duidelijk geen haast om zich bij ons te melden. De dagen kropen traag voorbij. Vandaag is dag vier en ik mag voor de zoveelste keer beoordelen of we de vliezen kunnen breken. Rosan heeft al vaak inwendig onderzoek gehad. Ze weet de procedure als ik vertel dat we gaan beginnen. Zonder iets te vragen gaat ze naar het toilet, kleedt zich van onder uit en gaat liggen.
‘Ze doen vaak de steunen omhoog, anders doet het pijn,’ zegt Rosan.
‘Goed dat je het zegt,’ geef ik aan en ik haal de steunen onder het bed vandaan.
Rosan legt haar benen erin. Het blauw van de steun verdwijnt onder haar kuiten. Het hele bed wiebelt als ze zich wat comfortabeler neerlegt. Ze trekt haar nachthemd recht. Alle dieren van de Looney Tunes prijken op haar borstkas.
Ik start het onderzoek en voel aan haar buik. Het is moeilijk te voelen hoe de baby ligt en ik laat het gaan. Daarna neem ik plaats tussen de benen van Rosan en voel naar de ontsluiting. Ze heeft mooi 3 centimeter en ik kan er net aan bij om de vliezen te breken. De vliezenbreker had ik al klaargelegd, voor het geval dat. Ik besluit het niet vooraf te zeggen, maar het zo dadelijk allemaal uit te leggen. Rosan en Victor zijn stil en kijken mij aan. Binnen tien seconden ben ik klaar en gooi ik mijn handschoenen weg. Ik pak twee grote kraamverbanden en geef deze aan Rosan. Ze draait de verbanden om, niet goed wetend wat ermee te doen. Ik leg uit dat haar vliezen gebroken zijn, dat het vruchtwater helder is en dat het vruchtwater blijft lopen totdat de baby er is. Ze stellen wat vragen die ik rustig beantwoord en ik help haar weer aankleden. Na een tijdje laat ik ze alleen, ze krijgt weeënopwekkers en we wachten tot de weeën mooi op gang gaan komen.
Een paar uurtjes later kom ik terug op de kamer van het jonge stel. Rosan ligt nog op dezelfde manier in bed als ik haar daar twee uurtjes geleden heb achtergelaten. Ze oogt ontspannen. Victor zit ernaast en heeft inmiddels een spelletje op zijn telefoon gevonden. Af en toe kijkt hij naar de buik van Rosan en merkt dan mijn gezelschap op. Ik pak een kruk en rol naast het bed. Ik vraag Rosan of ze al weeën voelt.
Ze haalt haar schouders op. ‘Nee,’ zegt ze.
‘Wanneer gaat het pijn doen?’ Vraagt Victor aan mij.
‘Als ze weeën krijgt.’
Victor knikt.
‘Maar hoe weet je dan dat het een wee is?’
Ik leg het hem uit. Hij luistert aandachtig.
‘Dus dan wordt haar buik hard?’
‘Ja.’
Hij legt zijn hand op Rosans buik.
‘Nu is hij zacht.’
‘Dat klopt.’
Hij kijkt naar mij.
‘Ik vind het wel spannend.’ Hij glimlacht, een stukje brood van vanmorgen is achtergebleven tussen zijn tanden.
Ik glimlach. ‘Dat mag.’
‘Ik vind het ook spannend, ik wil geen pijn,’ zegt Rosan.
Rosan kijkt naar Victor en steekt haar hand uit. Victor pakt hem meteen vast. ‘Ik ben bij jou,’ zegt hij. Rosan glimlacht.
‘Jullie doen het samen, komt goed,’ zeg ik bemoedigend.
Alsof na mijn uitleg Rosan door heeft wat weeën zijn, want als ik een uurtje later op hun kamer kom, ligt Rosan niet meer ontspannen in bed. Ze wiebelt heen en weer. Zweetdruppeltjes parelen op haar voorhoofd. De kruimels van haar ontbijt zijn van Bugs Bunny en Tweety afgerold en liggen nu waarschijnlijk in haar bed. Victor zit in zijn stoel. Zijn ogen gericht op zijn telefoon, zijn koptelefoon op. Hij heeft niet door dat ik binnenkom, laat staan de onrust van Rosan.
Ik loop naar Rosan en leg een hand op haar bovenarm. Ze schrikt een beetje en kijkt me angstig aan.
‘Het is begonnen,’ zeg ik zacht en probeer voor te doen hoe ze de pijn kan weg ademen. Rosan is zichtbaar blij met de aanpak en probeert mij na te doen.
‘Sinds wanneer voel je het zo?’ vraag ik.
‘Nou, Thea was hier net, en toen zij wegliep voelde ik het ineens.’
Thea is de verpleegkundige die met mij dienst heeft. Elk half uur mag de pomp van de weeënopwekkers iets omhoog, dat doet zij meestal. Er komt weer een wee. Ze duikt in elkaar en schudt daarna wild met haar hoofd heen en weer. Haar donkerblonde haar schiet uit haar staart. Haar nachthemd wipt naar boven tot onder de rand van haar buik. Ik kijk naar Victor. Hij heeft niets door.
‘Victor,’ roep ik.
‘Victor!’
Hij kijkt op.
‘Hè?’
Hij trekt één oordopje uit.
‘Je vriendin heeft een wee.’
Hij kijkt naar Rosan. ‘Oh.’ Alsof hij even moet schakelen.
‘Heb je een wee?’ vraagt hij aan haar.
Rosan knikt.
‘Doet het pijn?’
Ze knikt opnieuw. ‘Een beetje,’ zegt ze. Haar gezicht vertrekt. Een traan rolt over haar wang. Ik kijk in haar ogen.
‘Een beetje?’ vraag ik
Ze kijkt me aan en begint te huilen.
‘Heel erg.’
Het is alsof er ergens een knop is omgegaan. De wee die net nog draaglijk leek, heeft haar ineens overvallen. Ze pakt de lakens vast en trekt haar knieën een beetje op.
‘Ik wil mijn mama.’
Ik kijk haar aan. Het ontroert me.
‘Wil je dat ik mama even voor je bel?’
Ze schudt haar hoofd.
‘Nee. Ik wil gewoon dat ze ook komt.’
Ik knik. Ik begrijp het. Sommige dingen veranderen nooit. Hoe oud je ook bent, als je pijn hebt en bang bent, wil je soms gewoon je moeder. Victor is inmiddels overeind gekomen. Hij loopt naar haar toe en gaat naast haar op het bed zitten, het bed kraakt. Het voeteneind zakt een beetje door.
‘Ik ben er toch?’
Rosan kijkt hem aan.
‘Ik ben ook een beetje je mama,’ zegt Victor.
Ze schiet ondanks de pijn in de lach. ‘Jij bent mijn vriend.’
‘Ja, maar ik zorg ook voor je.’
Hij legt zijn hand op haar schouder.
‘Kom maar. Ik ben bij je.’ Hij legt zijn hoofd op haar bovenarm.
Rosan knijpt haar ogen dicht als de volgende wee zich aandient.
‘Auw.’ Ze begint wat harder te huilen.
Ik schuif mijn kruk naar haar toe. ‘Rosan, kijk eens naar mij.’
Ze kijkt.
‘We gaan deze samen opvangen.’
Ik adem rustig met haar mee en leg mijn hand op haar arm.
‘Rustig in… en weer uit.’
Ze probeert het. ‘Goed zo.’
Victor doet enthousiast mee.
‘In… en uit.’
Rosan kijkt hem boos aan. ‘Niet zo hard.’
‘Sorry.’
De wee zakt langzaam weg.
Rosan laat de lakens los. ‘Ik wil dit niet meer, duurt het nog lang denk je?’
Ik twijfel over het antwoord dat ik moet geven. Het is net begonnen, de eerste weeën, bij een eerste kindje. Normaal gesproken irriteer ik me stiekem een klein beetje aan deze vraag bij andere stellen, maar bij Rosan voelt het anders. Ze kan dit niet overzien.
‘Dat snap ik, maar dit gaat nog wel een tijd duren,’ zeg ik dan toch maar. Ze moet het toch weten.
‘Ik wil mijn baby.’
‘Die komt ook.’
‘Wanneer?’
Ik glimlach.
‘Dat weet je inmiddels. Dat weet niemand.’
Victor kijkt mij aan.
‘Maar jij weet het toch een beetje?’
‘Een beetje.’
‘Hoeveel is een beetje?’
Ik moet lachen.
‘Victor, dat is een ingewikkeld antwoord.’
‘Oh.’
Hij denkt even na.
‘Maar vandaag wel toch?’
‘Daar gaan we wel vanuit.’
Hij knikt tevreden.
‘Mooi.’
Rosan kijkt hem aan.
‘Jij bent echt gek.’
‘Maar je vindt me wel leuk.’
Ze glimlacht.
‘Ja.’
En daar is het weer. Midden in haar weeën, terwijl ze huilt en roept om haar moeder, vindt ze nog steeds ruimte te lachen.
De weeën volgen elkaar steeds sneller op. Rosan vindt ze moeilijk te verdragen. Ze raakt gespannen zodra er een nieuwe wee begint en lijkt nauwelijks tijd te hebben om zich te herstellen voordat de volgende zich weer aandient. Ik blijf bij haar zitten en probeer haar door iedere wee heen te helpen.
‘Kijk naar mij, Rosan.’
Ze kijkt.
‘Niet tegen de wee vechten. Laat hem maar komen.’
‘Maar hij doet pijn.’
‘Dat weet ik.’
‘Heel veel pijn.’
‘Dat weet ik ook.’
Ze huilt.
Victor staat inmiddels aan de zijkant van het bed. Hij heeft zijn telefoon weggelegd en probeert duidelijk zijn rol te vinden.
‘Zal ik water pakken?’
‘Nee.’
‘Een washandje?’
‘Nee.’
‘Wil je mijn hand?’
Rosan steekt haar hand uit.
Victor pakt hem vast.
‘Deze dan.’
‘Ja.’
Hij houdt haar hand stevig vast.
‘Knijp maar.’
Rosan knijpt.
‘Au.’
Victor kijkt naar zijn hand.
‘Je knijpt echt hard.’
Rosan kijkt hem woest aan.
‘Jij zei dat ik moest knijpen.’
‘Ja, maar niet zo hard.’
Ik kan een lach niet onderdrukken. Zelfs nu. Misschien juist nu. Victor kijkt naar mij en moet zelf ook lachen. ‘Ja, doet echt zeer hoor, ze knijpt fucking hard.’ Hij wappert met zijn hand door de lucht alsof hij net een hete oven heeft aangeraakt.
Rosan blijft de weeën opvangen maar ik zie dat ze het wegzuchten niet onder de knie krijgt. De paniek neemt telkens de overhand. Ik stel haar voor dat we iets voor de pijn gaan geven, een ruggenprik. Ik neem uitgebreid de tijd om alles uit te leggen over de voor- en nadelen van een ruggenprik. Ik weet inmiddels op welke manier ik hun het beste uit kan leggen. Klip en klaar, geen ruis en zo gemakkelijk mogelijk. Ik denk aan mijn eigen dochters van acht die de informatie op dezelfde manier verwerken als Rosan en Victor. Praktische vragen, duidelijke antwoorden.
Samen met Thea bereiden we alles voor zodat de anesthesist de ruggenprik kan komen plaatsen. Door haar BMI is het technisch geen eenvoudige handeling. Ze moet goed zitten, haar rug bol maken en vooral stil blijven zitten. Dat laatste is wat moeilijk wanneer er iedere paar minuten een wee door je lichaam trekt.
Ik loop de kamer af en bereid administratief wat dingen voor. Nadat ik ook de anesthesist heb gebeld loop ik terug naar de kamer van Rosan. Thea heeft haar al op de rand van het bed gezet, Rosan huilt tranen met tuiten. Ik heb het met haar te doen.
Ik leg een hand op haar schouder. Haar shirt is klam.
‘Rosan, zal ik anders toch je moeder bellen om te vragen of ze straks komt?’ Ze zegt niets, maar ze knikt. Haar moeder woont in de buurt en is een grote steun voor het stel. Doordat ze slecht ter been is, kan ze niet veel praktische dingen doen maar wat ik zo in het dossier heb gelezen, is het een stabiele vrouw. Ze staat als eerste contactpersoon, dus ik heb haar nummer. Ik neem me voor haar zometeen direct te bellen.
De anesthesist komt naar de kamer en legt zijn procedure uit. De taal is te ingewikkeld. Rosan zoekt mijn blik. Ik knik haar bemoedigend toe. Ze geeft antwoord op de vragen van de anesthesist en laat het gebeuren.
‘Niet bewegen!’ Sist Victor bezorgd naar Rosan als ze met haar handen over haar hoofd wrijft. Hij heeft goed geluisterd.
‘Ze mag niet bewegen toch?’ Fluistert Victor naar mij voor bevestiging.
‘Oh, dat mag wel,’ zegt de anesthesist als hij ziet wat Rosan doet.
Victor blijft Rosan aankijken terwijl de anesthesist bezig is. De eerste poging lukt niet direct. Er wordt opnieuw gevoeld, opnieuw gezocht. Rosan begint te huilen. ‘Ik wil dit niet meer.’
Ik ga voor haar staan.
‘Jawel. Je doet het hartstikke goed.’
‘Maar het lukt niet.’
‘Het is lastig, maar we geven niet op.’
Victor knikt en herhaalt mijn woorden. ‘We geven niet op.’
Rosan kijkt hem aan.
‘Jij ook niet?’
‘Nee.’
Hij zegt het zo vanzelfsprekend dat ik er even stil van ben. We geven niet op. Dat is misschien wel precies wat deze twee mensen veel vaker tegen elkaar hebben gezegd. Ze zullen vast tegen meer dingen aangelopen zijn in hun jonge leven. Niet opgeven. Niet aan elkaar. En nu ook niet aan hun baby. Na meerdere pogingen lukt de ruggenprik uiteindelijk. Langzaam zie ik de spanning uit Rosans gezicht verdwijnen. Niet lang daarna neemt de scherpe pijn van de weeën af. Ik verlaat de kamer en laat Thea met het stel achter. De pijn is verdwenen, de rust is weer terug. Een goede keuze geweest.
Na een paar uurtjes loop ik weer eens binnen om te kijken hoe het ervoor staat bij Rosan. Lege bordjes stapelen zich inmiddels op het nachtkastje op. Een zak paprikachips ligt naast de stoel van Victor. Lege koffiekopjes zijn op elkaar gestapeld en er zit een extra persoon in de verloskamer. Ik hoef haar maar aan te kijken om te weten dat het Rosan’s moeder is. Twee druppels water, alleen met een iets ouder gezicht. Ze is ook nog jong, dat voel ik als ik haar een hand geef. Ze is vriendelijk, haar ogen warm. Trots op haar dochter, trots dat ze erbij is. Dat snap ik. Een eer om gevraagd te worden.
‘Fijn dat u er bent, Rosan had u echt nodig.’ Ze knikt en wrijft Rosan over haar arm.
‘Natuurlijk ben ik er voor mijn meissie als ze dat wil.’
Victor zit aan de andere kant van het bed. Rosan oogt ontspannen.
‘Hoe gaat het?’
Rosan kijkt me vriendelijk aan. ‘Goed hoor, ik voel me best,’ zegt ze.
Ik kijk naar het CTG. Ook de baby doet het goed. Ik onderzoek haar, ze heeft vier centimeter. De ontsluiting vordert, ook al is het gestaag.
‘Je bent weer een stukje verder.’
Victor kijkt op. ‘Hoeveel moet ze eigenlijk?’
‘Tien.’
Hij rekent zichtbaar.
‘Dus nog zes?’
‘Ja.’
‘Dat duurt dus nog wel even.’
Ik glimlach. ‘Dat kan.’
Rosan zucht. ‘Ik wil gewoon dat hij nu komt eigenlijk.’
Hij. Ze weten inmiddels dat het een jongen wordt. Een zoon. Hun zoon. Ik ga weer even bij ze zitten en luister naar het verhaal van haar moeder. Ik hoor over haar eigen bevallingen en wie er allemaal al weet dat Rosan op dit moment aan het bevallen is. Op een gegeven moment gaat mijn telefoon, het is tijd om over te dragen. De volgende dienst is er al.
Ik sta op en geef iedereen een hand.
‘Mijn dienst is voorbij, straks zien jullie mijn collega.’
‘Ga je naar huis?’ vraagt Victor.
Ik knik.
‘Wat ga je dan doen?’
Ik moet lachen, wacht even en besluit dan eerlijk antwoord te geven. ‘Ik ga mijn kinderen ophalen en dan eten koken.’
‘Heb jij ook kinderen?’ Victor kijkt me verbaasd aan. Alsof ik als verloskundige de hele dag bezig ben met bevallingen. Dat ik zelf kinderen heb, was niet in zijn hoofd opgekomen.
‘Ja,’ zeg ik. ‘Drie stuks, allemaal meiden.’
‘Vind je het jammer dat je geen jongen hebt? Ik ben blij dat wij een jongen krijgen. Dat wilde ik altijd al. Daar kan ik dan lekker mee stoeien.’
Ik lach voor de zoveelste keer vandaag. Ik mag Victor wel.
‘Ik heb het nooit jammer gevonden, die jongens komen vanzelf wel,’ zeg ik.
Victor kijkt me aan. Ik betwijfel of hij mijn grapje begrijpt. Ik laat het erbij. Dan kijk ik nog eens naar Rosan.
‘Goed gedaan vandaag. Zet hem op. Vind je het goed dat ik van de week even in je dossier kijk om te kijken hoe de bevalling is afgelopen?’
‘Ja hoor,’ zegt ze.
Ik draai me om, groet nog eens en loop naar de deur.
‘De baby komt vandaag toch?’ Victor kan het niet laten.
‘Daar gaan we wel vanuit.’
Victor kijkt tevreden. ‘Mooi.’
Ik loop de kamer uit en draag over aan mijn collega’s. Mijn dienst zit erop.
Een paar dagen later ben ik weer op de afdeling en lees ik nog eens in het dossier van Rosan. Ze heeft uiteindelijk na een lange ontsluitingsfase volledige ontsluiting bereikt. De ruggenprik heeft haar geholpen om de rust te bewaren en uiteindelijk heeft ze haar zoon zelf op de wereld gezet. Een gezonde jongen: Noah. Negen pond, ruim vier kilo. Een flinke jongen ook.
Victor heeft hem direct na de geboorte vastgehouden. Ze waren dolblij en gelukkig. Precies zoals ze het zich zo lang hadden voorgesteld. Meer weet ik eigenlijk niet.
Ik weet niet hoe de eerste nacht thuis is gegaan. Ik weet niet wie er midden in de nacht naast Noah’s bed heeft gestaan toen hij bleef huilen. Ik weet niet hoe ze zijn omgegaan met de gebroken nachten, de voedingen, de luiers, de afspraken en alle nieuwe verantwoordelijkheden die niet ophouden wanneer de kraamzorg naar huis gaat. Ik weet niet hoe vaak Victor Rosans moeder heeft gebeld omdat hij niet wist wat hij moest doen.
Ik weet niet hoe vaak Rosan heeft gedacht: ik kan dit niet. En ik weet ook niet hoe vaak ze juist gedacht heeft: kijk eens wat ik wél kan. Wat ik wel weet, is dat er hulp is gekomen. Er zijn afspraken gemaakt. Er is begeleiding geregeld. Mensen om hen heen hebben meegekeken, geholpen en soms waarschijnlijk ook overgenomen wat Rosan en Victor zelf nog niet konden.
Ze kregen een kans. En misschien is dat precies zoals het hoort. Want een kinderwens is geen vaardigheidstest. Je hoeft niet perfect te zijn om een kind te mogen krijgen. Niemand hoeft eerst te bewijzen dat hij een goede ouder kan zijn voordat hij ouder mag worden. Maar ergens blijft die andere vraag bij mij wel hangen. Wat gebeurt er als liefde niet genoeg is? Als je ontzettend veel van je kind houdt, maar niet begrijpt waarom het huilt? Als je wel wílt zorgen, maar niet weet hoe? Als structuur voor jezelf al moeilijk is en er ineens een klein mensje is dat vierentwintig uur per dag van jou afhankelijk is? Hoeveel hulp kan je als samenleving bieden voordat we zeggen dat het niet meer genoeg is? En hoeveel kansen krijgt een ouder? Mag het eens mis gaan? Hoeveel kansen krijgt een kind?
Ik denk terug aan die eerste keer dat ik hun dossier opende. Hun grootste wens, stond er. Dat was het ook, daar twijfel ik geen seconde aan. Maar soms vraag ik me af of een wens en liefde hebben om te geven, voldoende is. Misschien is dat wel de moeilijkste vraag van allemaal.
Ik heb Rosan, Victor en Noah na deze dag nooit meer gezien. Ik zie stellen überhaupt amper weer na een stukje begeleiding van een bevalling. Ik weet dus niet hoe het met ze gaat. Misschien gaat het fantastisch. Dat hoop ik. Misschien hebben Rosan en Victor iedereen allang ongelijk bewezen. Dat zou ik alleen maar mooi vinden.
Maar iedere keer als ik aan die kamer terugdenk, zie ik Rosan weer liggen. Vierentwintig jaar oud. Haar hand in die van Victor. Wachtend op haar baby. En ik hoor Victor zeggen: We geven niet op. Met zijn lach, en zijn liefde voor Rosan. En misschien is dat genoeg. Misschien ook niet. Dat is het lastige. Wie zal het zeggen?
Meer lezen? Klik verder.
206.861 keer bekeken


